Hoe motiveer ik mijn sporter? (deel 2)

Vorige week beschreef ik hoe makkelijk je werk als coach wordt als je de passie en daarmee indirect de intrinsieke motivatie van jouw sporter vindt. Dan hoef je veel minder te pushen, te motiveren en het werkt bovendien nog veel efficiënter. Maar hoe vind je deze passie?

Aangezien geen één sporter hetzelfde is, is ook de aanpak om de passie bij jouw sporter te vinden uniek. Maar er zijn wel een aantal handvatten. In deze blog bespreek ik er drie.

Een eerste optie is om je sporter eens een week bij te laten houden waarvan deze energie krijgt. Dit kan de sporter doen door aan het einde van de dag even stil te staan bij wat diegene gedaan heeft. Dit kan de sporter dan opschrijven. Daarna kan de sporter bij iedere activiteit neerzetten hoeveel energie dit opleverde of misschien wel hoeveel energie dit kostte. Dit kan met smiley’s, plusjes en minnetjes, cijfers en zelfs met duimpjes omhoog of omlaag. Wat bij jouw sporter past. Activiteiten die energie kosten, maar ook evenveel opleveren, of misschien zelfs meer, zijn activiteiten die je graag doet. Activiteiten die energie opslokken, zijn vaak activiteiten die je niet graag doet. Als jouw sporter hier een overzicht van heeft, komt het lastige deel. Want waarom kosten deze activiteiten energie of leveren ze juist energie op? Heeft het te maken met het doel van de activiteit? Heeft het te maken met de vrijblijvendheid van de activiteit? Heeft het te maken met de relatie met de betrokken zijn bij deze activiteit? Hoe competent de sporter zich tijdens de activiteit voelt? Hoeveel hij zelf mag bepalen bij deze activiteit?* Heeft het te maken met het tijdstip van de dag? Of is het een activiteit die de sporter altijd leuk vindt? Hoe vaker je dit bespreekt met je sporter en hoe explicieter of concreter de sporter kan benoemen waarom iets leuk is of niet, hoe beter je kan achterhalen waar de ‘echte’ passie van de sporter ligt.

Een voorbeeld:
Jouw sporter heeft zijn activiteiten een week bijgehouden en heeft continu smileys staan bij het trainen met het gehele team. Er staan ontevreden gezichtjes bij het doen van huishoudelijke klusjes, school en het uitvoeren van de trainingen thuis. De sporter heeft zelf niet zo’n goed idee waarom hij het trainen met het team leuker vind, deze is tenslotte pas 10 jaar oud. Als coach kan je ondersteunende vragen stellen. Bijvoorbeeld wat het verschil is tussen de thuis trainingen en de teamtrainingen? Wat maakt het ene minder leuk? Of hij graag met mensen dingen samen doet? Of juist niet? Stel dat de sporter beantwoordt dat hij het sowieso leuker vindt om dingen samen met anderen te doen. Dat hij daarom de klusjes thuis ook stom vind en het thuis alleen trainen.
Als coach kan je dit vertalen voor de sporter door voor te stellen om de trainingen thuis met een teamgenoot te doen. Of misschien wil broer of zus meedoen of kan de sporter een klasgenoot vinden die ook graag sport en misschien wel mee wil meetrainen. Daarnaast weet je dus dat je in de trainingen, voor deze sporter, veel in groepsverband moet gaan oefenen om de sporter meer intrinsiek te motiveren.

Een tweede optie is om bewust verschillende werkwijzen aan te bieden tijdens de training en de sporter te observeren. Men kan oefeningen in groepsverband aanbieden, schema’s voor thuis en oefeningen die men zelfstandig moet doen. Ook kan men bewust heel veel techniek trainingen doen of juist veel wedstrijdjes spelen. Dan kan je zelf observeren hoe de sporter hierop reageert en dit daarna bespreken met de sporter. Deze wijze is gelijk ook heel praktisch, omdat je direct trainingsmethoden gevonden hebt die bij je sporter passen.

Een voorbeeld:
Jouw sporter doet goed haar best bij de techniektrainingen, vooral bij het zelfstandig trainen. Je merkt dat ze zich minder laat zien als men dingen oefent in groepsverband en dat ze beter presteert in de wedstrijdvormen, als ze daarvoor zelfstandig aan haar techniek heeft kunnen werken. Achteraf bespreek je dit met je sporter en zij geeft aan zich onzeker te voelen als ze niet precies weet hoe ze iets moet doen. En dat ze zenuwachtig wordt als dan iedereen naar haar kijkt. Maar dat ze het juist wel heel leuk vind om een techniek helemaal perfect te kunnen en dit wel 1000x te oefenen. Nou is 1000x mogelijk overdreven, maar dat past wel bij de leeftijd van 13 jaar oud. Je weet in ieder geval wat je te doen staat als coach…

De derde optie is om jouw sporter de opdracht te geven iets te vertellen over de reden waarom diegene deze sport is gaan doen en dit te laten presenteren. In een team kan men dit aan elkaar presenteren. Hier laat je het hele proces dus aan de sporter zelf over. Deze moet dan ook wel in staat zijn goed te kunnen reflecteren en de passie voor het sporten ook als zodanig te herkennen. Je kan je voorstellen dat dit zeer leeftijdsafhankelijk is.

Een voorbeeld:
In teamverband presenteren de teamleden aan elkaar, waarom ze zo graag deze sport beoefenen. De één doet het vooral omdat het werken in teams zo leuk en gezellig is, de ander omdat hij er goed is in de sport en het daarom ook leuk vindt en weer een ander doet het vooral omdat zijn vader dezelfde sport doet en het wel zo makkelijk is om samen hierheen te gaan. Als trainer besluit je daarom om; één keer per maand een teamuitje te doen, vooral die dingen te oefenen die je sporters goed kunnen en deze zo nog beter te maken en om met sommige sporters nog een intensiever traject in te gaan om erachter te komen of ze eigenlijk deze sport wel willen doen…

Dit waren mijn suggesties voor deze week, hopelijk zijn er nog andere coaches of sporters die dit lezen en hier graag iets aan toevoegen middels een ‘reply’.

IMG_2782Foto: de passie van mijn voltigeurs

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *