Doen en blijven doen!

Je wilt een beter leven, gelukkiger zijn, meer rust of jezelf misschien fitter voelen. Je zal dan iets moeten veranderen, maar hoe doe je dat? Eerst moet je willen veranderen, dan moet je het ook nog kunnen, maar je moet het vooral doen. Dat lijkt het moeilijkste, maar dat is het niet. Het blijven doen, dat is pas de echte uitdaging.

Stoppen met roken, dat doe je zo. Maar er vanaf blijven is moeilijk. Beginnen met sporten, stap de deur uit en je gaat. Maar dit blijven herhalen is een hele opgave. Voor mij is het ‘blijven bij wat je gelukkig maakt’, wat ik zo lastig vind.

Het klinkt zo simpel. Doe vooral waarvan je gelukkig wordt. Dan wordt je gezelliger en leuker en voel je nuttig en fijn. Je bent fitter en kan daardoor anderen beter helpen. Maar juist omdat je weer gaat helpen, ligt de valkuil alweer op de loer. En voor je het weet ben je er prompt weer ingevallen.

En dat doet zeer. Vooral aan mijn trots. Weer teveel gedaan, weer niet goed naar mijzelf geluisterd, weer niet alles alleen kunnen doen. Maar de vraag is of ik dat ook moet willen? Ook kan ik mijzelf afvragen of ik wel helemaal op de bodem lig of dat ik mijzelf slechts even verstapt hebt. Stel dat ik wel op de bodem lig, dan weet ik in ieder geval de route terug omhoog. Ik bent er tenslotte al eerder uit geklommen.

Nu klinkt dit misschien wel erg vaag en metaforisch. Dus ik zal het achterliggende verhaal wat meer toelichten. Zoals ik al zei is mijn valkuil om mijn eigen behoeftes aan de kant te schuiven en vooral die van anderen voorop te stellen. Nog niet eens altijd die van mijn eigen gezin, maar zelfs van mensen die nog verder van ons af staan.

Een zeer treffend voorbeeld zag ik laatst in een film, over kinderen in Uganda. Waarvan hun ouders vermoord werden en zij werden gedwongen tot kindsoldaat. Mijn hart brak. Ik was boos, ontzet en oprecht verdrietig over de situatie. In de film was er een Amerikaan die al zijn geld er doorheen braste om deze kinderen te helpen. Ten koste van zijn eigen gezin. Heel nobel! Het is goed dat zulke mensen bestaan. Dat iemand deze kinderen helpt. Maar ik vroeg mijzelf wel af; ten koste waarvan?

Ik voel mij soms als de man in de film. Dat ik het welzijn van mijn eigen gezin opzij schuif, voor anderen. Bij mij zit het niet in geld, maar in mijn energie. Zoveel energie geven aan anderen, dat ik thuis niets meer over heb.

Ik ben ook bezig met het verbeteren van de wereld, op mijn bescheiden manier. Niet dat ik het lef zou hebben om naar een land ver weg te vertrekken en daar te vechten tegen het kwaad. Maar op mijn eigen manier probeer ik de wereld een betere plek te maken. Ik probeer studenten, vrienden, kennissen en sporters te helpen in hun eigen proces. Ik probeer door mijn blogs en verhalen mensen te inspireren tot een fijner en gelukkiger leven. Maar ook ik ben niet altijd het perfecte rolmodel. Want ondanks al deze nobele voornemens. Zag ik het weer bijna misgaan binnen mijn eigen gezin.

Ik werkte veel over, ik was veel van huis. En als ik thuis was, was ik te moe om wat leuks te gaan doen. De kinderen werden weer meer voor de tv of de Ipad gezet en mijn schuldgevoel groeide en groeide. Vaker weer aan de patat, minder vaak sporten en geen tijd meer hebben voor vrienden en familie. Symptomen dat ik mijzelf weer dreigde te verliezen. Ik moest ingrijpen.

Dus wat ging ik doen? Voor mijzelf zorgen. Eerst verwennen, NIET STRAFFEN. Dat is meestal mijn eerste instinct; beter je best doen, harder werken. Maar dat werkt juist averechts en slurpt energie op. Dus een warm bad, een massage, de kinderen een nachtje uit logeren. Even op en top verwend worden. Daarna op zoek naar de oorzaak, deze aanpakken, zodat ik echt tot rust kan komen. Hierdoor word ik weer de moeder die ik wil zijn.

Ik maak fouten en ik ben niet perfect. Maar ik ben wel goed zoals ik ben. Want door mijzelf af te straffen, raak ik alleen maar verder van mijn pad. Want als ik van mijn pad raak, was het wel met de beste intenties. Dus daar hoort liefde en compassie bij voor jezelf.

En dat wil ik vooral blijven doen!

Op zoek naar soortgenoten

Vrijdag had ik een heel interessant gesprek. We hadden beide een roerige tijd achter de rug en waren nu op zoek naar betekenis en geluk. Het doel was helder, maar vast stond ook; dit konden we niet alleen! Maar op het moment dat je afhankelijk bent van een ander, begint het probleem. Niemand is zoals jij, niemand denkt zoals jij of wil hetgeen jij wilt. Hoe kan je dan medestanders vinden om je project te laten slagen? Heel simpel: je moet op zoek naar soortgenoten!

Soortgenoten zijn mensen die jouw passie delen. Die enthousiast worden van jouw idee. Hun ogen gaan stralen, hun hart gaat sneller kloppen en jullie idealen zijn gelijk. Toch kunnen jullie als mens ongelijk zijn. Waar de één goed is in creëren, is de ander goed in organiseren. Daarnaast zijn er ook mensen die gedetailleerd werken of juist kijken naar het grote geheel. Dat maakt allemaal niet uit. Wat van belang is, is de betrokkenheid. Hoe graag wil de ander dat jouw idee slaagt? Hoe betrokken en begaan voelt de ander zich met jouw plan of project?

Op tijd deze betrokkenheid herkennen is essentieel. In een eerste gesprek merk je dit aan de energie van de ander. Enthousiasme, de klik en de aanzet tot vervolg. Toch verliezen mensen zichzelf wel eens in hun enthousiasme en bedenken ze zich later. Afname van tijd, inzet en bereikbaarheid zijn de eerste waarschuwingssignalen. Dan is het tijd om aan de ander te vragen of hij het idee nog wel ziet zitten? Of diegene er wel tijd voor heeft? Of het op dit moment wel uitkomt? Anders saboteert de ander ‘onbedoeld’ jouw ideaal, door er geen prioriteit van te maken. Wat het voor jou wel is.

Een ander waarschuwingssignaal is iemand die zijn afspraken niet nakomt of zijn taken niet uitvoert. Dan is iemand duidelijk een bijdrager. Die zijn leuk om er extra bij te hebben, maar moeten niet één van de karrentrekkers zijn. Zo iemand is fantastisch om een keer mee te laten denken of te laten helpen bij deeltaken, als diegene kan. Maar besef je dat dat, het is. Meer moet je van deze persoon ook niet verwachten.

Tegenpolen moet je niet mijden, maar ook niet omarmen. Het is goed voor de kritische noot, maar laat je niet ontmoedigen. Zoals Theodore Roosevelt al zei in 1910:

“It is not the critic who counts; not the man who points out how the strong man stumbles, or where the doer of deeds could have done them better. The credit belongs to the man who is actually in the arena, whose face is marred by dust and sweat and blood; who strives valiantly; who errs, who comes short again and again, because there is no effort without error and shortcoming; but who does actually strive to do the deeds; who knows great enthusiasms, the great devotions; who spends himself in a worthy cause; who at the best knows in the end the triumph of high achievement, and who at the worst, if he fails, at least fails while daring greatly, so that his place shall never be with those cold and timid souls who neither know victory nor defeat.”

Met andere woorden: zolang je niet zelf in de arena staat en je handen vuil maakt, kan je ook niet uit ervaring spreken. Wat is dan de waarde van jouw feedback?

Kortom zoek mensen die jou versterken. Die energie geven en jouw passie delen. Leer van kritiek, maar blijf in jezelf geloven. Uit ervaring weet ik dat dat laatste altijd makkelijk is met een soortgenoot:)

Trakteer eens op een compliment!

Hoe laat je iemand lachen? Hoe beur je iemand op? Hoe creëer je een positieve mindset? Geef een compliment! Coachingswebsites staan er vol mee en ook de afgelopen drie cursusdagen* werd deze strategie veelvuldig aangehaald en besproken. Wat als je deze strategie ook eens in kon zetten voor jezelf?

Een compliment moet oprecht en gemeend zijn. Dus hetgeen je aanduidt als ‘leuk’ of ‘goed’ moet je ook wel echt leuk of goed vinden. Hier ontstaat de eerste bobbel in de weg. Want heel veel dingen vinden wij normaal. Het is normaal geworden dat je man de vuilnis buiten zet, het is normaal dat je eten kookt en het is vooral normaal dat betaald personeel doet waarvoor ze betaald worden. Toch zal je zien, hoe meer complimenten je mensen geeft voor iets doen wat ‘normaal’ is, hoe beter ze hun taken uitvoeren.

Doet je partner meer of minder in het huis na een bedankje voor het doen van de afwas? Doet je werknemer meer of minder na een compliment voor de snelle afwerking van een opdracht? Een compliment geven start dus al bij het feit dat we alledaags gedrag niet zo normaal meer vinden. Maar dat het eigenlijk best bijzonder is dat je partner iedere dag weer gaat werken, voor de kinderen zorgt, de hond uitlaat, de boodschappen doet of op bezoek gaat bij oma. Dat betekent dat hetgeen wat jij zelf doet, ook best bijzonder is.

foto: Bram Hanemaaijer

Als je baalt aan het einde van de dag, omdat er zo weinig is gedaan. Benoem dan eens wat je wel gedaan hebt. En als kers op de slagroom: geef je zelf daarvoor een compliment!

Ervaar eens wat het met je doet. Wordt je er minder vrolijk door? Neemt je vermoeidheid toe? Werkt het positief of negatief? Als het positief werkt, waarom doe je het dan niet eens wat vaker? En als het negatief werkt, komt het omdat je vindt dat je het compliment niet verdiend? Omdat je zoveel dingen niet hebt gedaan?
Had je niet een hele goede reden om ze niet te doen? Was het misschien niet zo noodzakelijk? Had je geen energie meer? Of je wilde je je energie liever in iets anders steken? Of had je geen tijd? Kwam er iets belangrijkers tussen?

Volgens mij is jou alleen iets kwalijk te nemen, als het nalaten van de activiteit catastrofale gevolgen heeft voor anderen. Zoals het niet controleren van het beveiligingssysteem in een kerncentrale, het niet vervangen van kapotte remkabels in iemands auto of bewust niet het gat in een dijk dichten, wat een risico geeft op overstroming.

Als het niet binnen deze categorie valt: maak je niet druk! Dan ben je lekker bezig geweest. De wereld vergaat niet als je eens iets niet doet. En anders vraag je of iemand anders het voor je wil doen. Heb je gelijk weer een goede reden om een compliment uit te delen:)

Sta je vast?

Zit je vast? Kom je voor je gevoel niet vooruit? Zit je maar te wachten op de hulp van anderen? Of doen anderen maar niet datgene wat jou zou helpen? Misschien heb je last van aangeleerde hulpeloosheid; een fenomeen wat bij mensen ontstaat als ze tijdens hun opvoeding nooit het gevoel hadden, zelf ergens invloed op te hebben. Je zit in een slachtofferrol.

In de praktijk zie het er zo uit:

Ken jij zo’n persoon of ben jij zo’n persoon? Geen stress, je bent nog te redden! Het enige wat je nodig hebt, is jezelf afvragen: wat kan ik zelf doen om mijn situatie te verbeteren? Voor de mensen op de roltrap hadden dit de volgende opties kunnen zijn; men had kunnen gaan zingen, men had een goed gesprek kunnen houden, men had eens na kunnen denken over de zin van het bestaan of men had kunnen gaan traplopen.

Je oplossing of idee hoeft namelijk niet gelijk goed te zijn. En wat is goed? Dat is voor iedereen anders! Kom je er niet uit? Dan kan je altijd nog om suggesties vragen. Maar eerst zelf proberen.

Het voordeel is dat je op deze wijze je zelfeffectiviteit vergroot. Wat is dit? Dit is jouw vertrouwen in jezelf om met succes invloed uit te kunnen oefenen op jouw omgeving. Dit kan iedereen. Op het moment dat je aanwezig bent, heb je invloed op je omgeving. Je wisselt zuurstof uit, je neemt ruimte in en je zorgt voor lichaamswarmte. Je overleeft! Je oefent nu dus al succesvol invloed op je omgeving uit.

Maar waar begin ik dan? Start eens met een duidelijk doel. Als je in je ideale situatie zou zitten, hoe ziet deze er dan uit? Wat wil je graag bereiken? Wat zou het met je doen als het lukt? Hoe zou jouw omgeving veranderen?

Als je weet wat je wil, moet je nog bedenken hoe je dat wil bereiken. Denk eens hoe je eerder iets bereikt hebt? Bijvoorbeeld een opleiding afronden. Of een huisdier verzorgen. Of werk vinden. Hoe heb je dat gedaan? Kan je die strategie nu ook toepassen? Nog steeds niet genoeg ideeën? Wat zouden anderen doen om in zo’n situatie te komen? Zou dat ook voor jou kunnen werken?

foto: Bram Hanemaaijer

Belangrijk is om je vervolgens vooral op succesmomenten te focussen. Er zullen natuurlijk ook veel dingen mis gaan, maar daaraan vasthouden geeft alleen vertraging. Het zal je niet sneller van de roltrap afhelpen (zie filmpje). Dus probeer ervan te leren, geef jezelf een compliment dat je het wel geprobeerd hebt en op naar de volgende poging. Je hebt tenslotte een doel om te bereiken!

Uiteindelijk voelt het veel beter als je het zelf doet. Dit vergroot namelijk je gevoel van eigenwaarde. En ik kan je vertellen: dat voelt goed! Het is niet voor niets dat jonge kinderen regelmatig roepen: “Zelluf doen!!” Geloof je me niet? Dan heb ik de volgende odracht voor jou:

Kies een activiteit die je altijd al had willen proberen of die al heel lang op je ‘to do’-lijstje staat. Dit kan zijn: een bepaald recept koken, een schilderij ophangen of een blogsite beginnen. Google hoe het moet, bekijk een filmpje en ga aan de slag. Geef niet gelijk op, maar ga door tot het gelukt is.

En toen het lukte, hoe voelde dat? Ik hoor graag het resultaat!

Ben jij ook zo goed in loslaten?

Laatst vroeg een pupil van mij om advies. Ze presteerde goed, maar toch schreef de omgeving het af aan toeval, mazzel of geld. Ik zei toen tegen haar: “waarom maak je je druk om mensen die duidelijk niet met jou bezig zijn, maar met zichzelf? Zij zullen altijd commentaar hebben op wat je doet. Richt je op de mensen die het beste met je voor hebben. Zij kunnen je steunen en helpen”. Prachtig advies, toch? Ik zou het alleen zelf zo graag kunnen opvolgen…

Op veel mindfullness of zelfhulpwebsites lees ik blogs over het loslaten. Loslaten wat anderen van jou vinden. “Hun mening is niet belangrijk, alleen de jouwe telt.” “Je hebt als kind altijd gestreefd naar goedkeuring van je ouders, daarna van je vrienden, maar wat vind je nou echt zelf?” Luister daarnaar en het geluk ligt schijnbaar aan je voeten.
Maar het probleem is: hun mening is wel belangrijk! Ik ben een sociaal wezen en vind het fijn als mensen graag bij mij in de buurt zijn. Dat doen ze alleen als ze mij aardig vinden. Het mooiste zou zijn als ze mij ook nog een beetje bewonderen. Dat blijft leuk.

Er zijn mensen waar ik mij geaccepteerd bij voel en die mij versterken. Bij deze mensen voel ik mij veilig en mijzelf. Maar ik voel vaak juist een bewijsdrang bij mensen die ik niet goed ken. Daarom twijfel ik toch bij elke blog die ik schrijf. Bij elke minuut dat ik niet ‘druk, druk, druk’ ben. Waarom interesseert het mij zo? Waarom moeten ‘onbekende’ mensen het idee hebben dat mijn leven vol, leuk en vooral zinvol is?
Om dit goed duidelijk te maken, maken we even een uitstapje. Ik las namelijk een stuk over iemand die introvert was. Dat zij zich altijd schaamde hiervoor en zich anders had voorgedaan dan wie ze werkelijk was. Dat ze niet houdt van pietpraat, niet gelijk in de picture wil staan en nou eenmaal graag alleen is.


Hierdoor volgde bij mij een ‘AHA’-moment. Ik dacht altijd dat ik extrovert was: ik ben luidruchtig, ga discussies aan, sta graag voor een groep en vind aandacht heerlijk. Maar wel met mate. Ik wil alleen de aandacht als ik goed ben voorbereid, ik ga alleen een discussie aan als ik overtuigd ben van mijn gelijk en ik ben vaak luidruchtig uit enthousiasme voor iets. Maar van nature? Ben ik stil, een ‘kat uit de boom’-kijker, kan ik uren in de natuur zitten en genieten van mijn omgeving. Ik kan een hele dag alleen thuis zijn en de dag van mijn leven hebben. Dus ik ben een gecamoufleerde introvert.

Het werken met studenten, cliënten en sporters, vind ik fantastisch! Maar ik kan het niet onbeperkt doen. Want blijkbaar kost het mij teveel energie en wordt ik chagrijnig. Aangezien het bij ons thuis altijd al druk is met twee kleintjes, zal ik nog meer aan de rem moeten trekken. Ik wil wel graag die dingen doen, maar ze zijn in dit hoge tempo, niet goed voor mij. Ik heb nou eenmaal een sociale handicap, waarbij ik teveel energie verlies in gezelschap. Ik kan er niet altijd voor iedereen zijn. Ik wil vaker alleen zijn.
Hoe meer ik dit ben gaan beseffen. Hoe meer ik dit ben gaan ACCEPTEREN. Hoe meer ik mij die eenzaamheid toe sta. Hoe beter ik mij voel. Hoe zekerder ik wordt en vooral: hoe minder mij die ‘onbekende’ mensen interesseren.

Dus om weer terug te gaan naar de kern van deze blog; mijn zoektocht is er niet een van loslaten. Mijn zoektocht is er één van mijzelf omarmen en nooit meer laten gaan.

Aftrap spelenderwijs ruiterfit

Vandaag vond op de Bixiedag van KNHS Noord-Holland de aftrap van spelenderwijs ruiterfit plaats. Een project om jonge ruiters te motiveren om fit en gebalanceerd te trainen, waardoor ze nog beter kunnen ponyrijden. Om over de voordelen voor hun leervermogen en fysieke gezondheid nog maar te zwijgen.

De jonge ruiters konden springen, voltigeren, dressuur te stokpaard, puzzelen en een ware pas de deux bootcamp uitvoeren en daarmee stempels verzamelen om kans te maken op een mooie prijs; les van de Nederlands voltigekampioene Carola Sneekes.

Al moest dan wel de vraag beantwoord worden: hoeveel suikerklontjes zitten er in AA-drank? Klik snel op de link als je het niet weet!

Het concept werd niet alleen door de kinderen omarmd, maar ook geprezen door Rosline Bixie fanclub, wat te zien is in het interview met mij op hun Facebookpagina.

Dit is nog niet het einde, maar pas het begin! Blijf de website volgen voor meer nieuwtjes en updates m.b.t. dit onderwerp!

Topsportcoach: motiveer je creativiteit

Cynthia Danvers is internationaal jurylid en voltigetrainer. Ze staat bekend om haar unieke thema’s, originaliteit en creatieve aankleding. ‘Vault like there is no midnight’ is na vorig seizoen zelfs een begrip geworden, die zelfs door de FEI (internationale paardensportbond) is opgepikt. Lees hier haar geheim:

Iedereen kan creatief zijn, maar we verstoppen onze creativiteit al snel door de uitspraak: “ik ben niet creatief!” Wie zich openstelt om deze gedachte te laten varen en je gevoel laat spreken, zal merken dat je je nergens voor hoeft te schamen. Iedereen kan wel iets creatiefs bedenken of uitvoeren! 🙂

Mijn motto is: “waar een wil is , is een weg!”

Maar hoe vind je die weg? Door ‘out of the box’ te denken, bedenkt ons brein de meest creatieve dingen. Dit klinkt moeilijk, maar het begint met inspiratie. In onze sport ‘voltige’ hebben we deze inspiratie vooral nodig bij de kür. Hier bedenk je een thema als leidraad voor de oefeningen en voor de muziek. Ik kan mijn creativiteit triggeren door mijn eigen leerlingen. Ik vind het een sport om het uiterste uit ze te halen en ze optimaal te laten presteren. Dit doe ik onder andere door ze te motiveren en hun creatieve skills te ontwikkelen.

De grootste vijand van jezelf, en van je leerlingen, is jezelf open durven stellen om creatief te zijn. Vanuit onzekerheid wordt hierbij vaak gedacht: “Wat vinden anderen van wat ik doe?” of “Is dit niet raar?” of een hele bekende: “Straks sta ik voor schut!” Het gevolg hiervan is dat je iets simpels en/of iets veiligs gaat doen. Maar dat is saai.

Daar gaat het dus mis, leer je leerlingen (en jezelf) om speciaal te zijn, en laat merken dat je ze ook speciaal vindt!! Geef ze het zelfvertrouwen en geborgenheid. Dit doe je door te laten zien dat je achter hun ideeën staat. En leer ze om zichzelf open op te stellen, bijvoorbeeld door jezelf ook kwetsbaar op te stellen. Hier kan je een rolmodel zijn. Doordat ze zichzelf open stellen, wordt hun creativiteit meer ontwikkeld en ervaren ze dat je er dan veel meer van kan genieten als sporter.

Wat ook kan helpen is een thema met muziek kiezen, wat bij de voltigeur past. Laat ze ook in dit proces zelf meedenken. Leer ze om de muziek te voelen en met de kür oefeningen een verhaaltje te laten vertellen. Verdiep je daarbij in het verhaal en zorg dat je samen enthousiast wordt. Motiveer je leerlingen ook om zichzelf te laten zien en zich niet druk te laten maken over wat anderen er van denken. Het is jullie feestje!

Een derde tip is om ervoor te zorgen dat ze de kür goed kunnen uitvoeren en beheersen. Daardoor gaan ze met meer zelfvertrouwen de ring in tijdens een wedstrijd. Ze weten dat het wel goed komt. En het allerbelangrijkste; dat ze er plezier in hebben. Vanuit plezier komen de beste resultaten en laat je de meest natuurlijke uitstraling zien die er is. Als je zo hard getraind hebt dat het in de training (bijna) altijd lukt, wordt je veel opener en straal je meer zelfvertrouwen uit.

Deze ideeën zorgen ervoor dat jij als trainer echt een team vormt met je leerlingen. Samen ben je immers sterk. Sta open voor de creativiteit van je leerlingen en ideeën, stuur ze in de goede richting met positief advies. Vindt je een idee niet goed of leuk, breng dit dan positief. Bijvoorbeeld door te zeggen: “heel goed bedacht van je, super! maar misschien als je een beetje zo en zo doet, wordt je idee nog beter”. Je moet als trainer nooit creativiteit negatief beoordelen, maar het juist positief benaderen. Dit motiveert. Je wil een eenheid zijn met je team, waarbij ze wel accepteren dat jij als trainer de eindbeslissing neemt. Als je het positief brengt, zullen je leerlingen niet het gevoel krijgen dat ze niet creatief kunnen zijn of geen inspraak hebben.

Conclusie: Motiveer je leerlingen om zichzelf te zijn en stimuleer je eigen creativiteit door je open te stellen en te ontdekken dat de hele wereld uit zoveel moois bestaat, waaruit wij zeeën van creativiteit uit kunnen ontwikkelen. “The Sky is the limit” en wordt alleen maar beperkt door jouw eigen denken.

Cynthia Danvers

15387423_10211237924174195_292152907_o
meer weten over Cynthia? kijk op Facebook of haar website

Hoe motiveer ik mijn sporter? (deel 2)

Vorige week beschreef ik hoe makkelijk je werk als coach wordt als je de passie en daarmee indirect de intrinsieke motivatie van jouw sporter vindt. Dan hoef je veel minder te pushen, te motiveren en het werkt bovendien nog veel efficiënter. Maar hoe vind je deze passie?

Aangezien geen één sporter hetzelfde is, is ook de aanpak om de passie bij jouw sporter te vinden uniek. Maar er zijn wel een aantal handvatten. In deze blog bespreek ik er drie.

Een eerste optie is om je sporter eens een week bij te laten houden waarvan deze energie krijgt. Dit kan de sporter doen door aan het einde van de dag even stil te staan bij wat diegene gedaan heeft. Dit kan de sporter dan opschrijven. Daarna kan de sporter bij iedere activiteit neerzetten hoeveel energie dit opleverde of misschien wel hoeveel energie dit kostte. Dit kan met smiley’s, plusjes en minnetjes, cijfers en zelfs met duimpjes omhoog of omlaag. Wat bij jouw sporter past. Activiteiten die energie kosten, maar ook evenveel opleveren, of misschien zelfs meer, zijn activiteiten die je graag doet. Activiteiten die energie opslokken, zijn vaak activiteiten die je niet graag doet. Als jouw sporter hier een overzicht van heeft, komt het lastige deel. Want waarom kosten deze activiteiten energie of leveren ze juist energie op? Heeft het te maken met het doel van de activiteit? Heeft het te maken met de vrijblijvendheid van de activiteit? Heeft het te maken met de relatie met de betrokken zijn bij deze activiteit? Hoe competent de sporter zich tijdens de activiteit voelt? Hoeveel hij zelf mag bepalen bij deze activiteit?* Heeft het te maken met het tijdstip van de dag? Of is het een activiteit die de sporter altijd leuk vindt? Hoe vaker je dit bespreekt met je sporter en hoe explicieter of concreter de sporter kan benoemen waarom iets leuk is of niet, hoe beter je kan achterhalen waar de ‘echte’ passie van de sporter ligt.

Een voorbeeld:
Jouw sporter heeft zijn activiteiten een week bijgehouden en heeft continu smileys staan bij het trainen met het gehele team. Er staan ontevreden gezichtjes bij het doen van huishoudelijke klusjes, school en het uitvoeren van de trainingen thuis. De sporter heeft zelf niet zo’n goed idee waarom hij het trainen met het team leuker vind, deze is tenslotte pas 10 jaar oud. Als coach kan je ondersteunende vragen stellen. Bijvoorbeeld wat het verschil is tussen de thuis trainingen en de teamtrainingen? Wat maakt het ene minder leuk? Of hij graag met mensen dingen samen doet? Of juist niet? Stel dat de sporter beantwoordt dat hij het sowieso leuker vindt om dingen samen met anderen te doen. Dat hij daarom de klusjes thuis ook stom vind en het thuis alleen trainen.
Als coach kan je dit vertalen voor de sporter door voor te stellen om de trainingen thuis met een teamgenoot te doen. Of misschien wil broer of zus meedoen of kan de sporter een klasgenoot vinden die ook graag sport en misschien wel mee wil meetrainen. Daarnaast weet je dus dat je in de trainingen, voor deze sporter, veel in groepsverband moet gaan oefenen om de sporter meer intrinsiek te motiveren.

Een tweede optie is om bewust verschillende werkwijzen aan te bieden tijdens de training en de sporter te observeren. Men kan oefeningen in groepsverband aanbieden, schema’s voor thuis en oefeningen die men zelfstandig moet doen. Ook kan men bewust heel veel techniek trainingen doen of juist veel wedstrijdjes spelen. Dan kan je zelf observeren hoe de sporter hierop reageert en dit daarna bespreken met de sporter. Deze wijze is gelijk ook heel praktisch, omdat je direct trainingsmethoden gevonden hebt die bij je sporter passen.

Een voorbeeld:
Jouw sporter doet goed haar best bij de techniektrainingen, vooral bij het zelfstandig trainen. Je merkt dat ze zich minder laat zien als men dingen oefent in groepsverband en dat ze beter presteert in de wedstrijdvormen, als ze daarvoor zelfstandig aan haar techniek heeft kunnen werken. Achteraf bespreek je dit met je sporter en zij geeft aan zich onzeker te voelen als ze niet precies weet hoe ze iets moet doen. En dat ze zenuwachtig wordt als dan iedereen naar haar kijkt. Maar dat ze het juist wel heel leuk vind om een techniek helemaal perfect te kunnen en dit wel 1000x te oefenen. Nou is 1000x mogelijk overdreven, maar dat past wel bij de leeftijd van 13 jaar oud. Je weet in ieder geval wat je te doen staat als coach…

De derde optie is om jouw sporter de opdracht te geven iets te vertellen over de reden waarom diegene deze sport is gaan doen en dit te laten presenteren. In een team kan men dit aan elkaar presenteren. Hier laat je het hele proces dus aan de sporter zelf over. Deze moet dan ook wel in staat zijn goed te kunnen reflecteren en de passie voor het sporten ook als zodanig te herkennen. Je kan je voorstellen dat dit zeer leeftijdsafhankelijk is.

Een voorbeeld:
In teamverband presenteren de teamleden aan elkaar, waarom ze zo graag deze sport beoefenen. De één doet het vooral omdat het werken in teams zo leuk en gezellig is, de ander omdat hij er goed is in de sport en het daarom ook leuk vindt en weer een ander doet het vooral omdat zijn vader dezelfde sport doet en het wel zo makkelijk is om samen hierheen te gaan. Als trainer besluit je daarom om; één keer per maand een teamuitje te doen, vooral die dingen te oefenen die je sporters goed kunnen en deze zo nog beter te maken en om met sommige sporters nog een intensiever traject in te gaan om erachter te komen of ze eigenlijk deze sport wel willen doen…

Dit waren mijn suggesties voor deze week, hopelijk zijn er nog andere coaches of sporters die dit lezen en hier graag iets aan toevoegen middels een ‘reply’.

IMG_2782Foto: de passie van mijn voltigeurs

Hoe motiveer ik mijn sporter? (deel 1)

Deci & Ryan (2002) beschrijven in hun zelfbeschikkings-theorie hoe men de intrinsieke motivatie zou kunnen aanwakkeren. Zij noemen: competent voelen, autonomie ervaren en verbinding voelen met de omgeving als; universele, psychologische behoeften, die bijdragen tot intrinsieke motivatie. Opvallend is dat juist die laatste behoefte niet veel onderzocht is. Terwijl dit juist een sleutelelement kan zijn voor intrinsieke motivatie. Dit kan namelijk jouw oprechte passie oproepen! En hoe motiverend passie kan zijn, hebben we allemaal kunnen zien op de Olympische en Paralympische spelen.

Om passie ergens voor te hebben, zal iets van belang voor je moeten zijn. Iets is pas van belang, als je jezelf ermee verbonden voelt. Dat je het gevoel hebt dat iets er toe doet, dat het betekenis heeft en misschien zelfs voelt als een onderdeel van jezelf.

In mijn eigen leven heb ik dit onlangs meegemaakt bij mijn eigen gezin. Mijn man is namelijk niet zo sportief, dit staat zelf onderaan zijn prioriteiten lijstje. Bovenaan staat zijn gezin, zijn familie, zijn vrienden en daarnaast wil hij graag emigreren naar Noorwegen. Zo graag dat ik me over had laten halen om deze zomervakantie twee weken in Noorwegen door te brengen. De derde dag van onze vakantie, begonnen we vol goede moed aan een wandelroute langs de kust.

Al gauw bleek onze kustwandeling meer een bergbeklimming te zijn, zonder een echt pad, zonder hekwerk en met een overvloed aan steile afgronden. Ik stond doodsangsten uit, want de oudste van 2,5 wilde per se zelf klimmen, lopen en springen. Maar mama zag haar al onderaan de afgrond liggen met een bebloed hoofd en vond dit alles behalve een goed idee. Het was warm, gevaarlijk en de route bleek langer dan verwacht, dus na 15 minuten wilde ik terug. Maar terug betekende nog zo’n 20 minuten klim, daal en stuntelwerk.

Ik zag het steeds minder zitten, mijn dochter werd te zwaar voor mij om te tillen, maar ik wilde haar niet in gevaar brengen door haar zelf te laten lopen. En daar was de redder in nood: mijn man. Hij zette haar op zijn nek, met de baby op zijn rug en klom stug door de rotsen omhoog en had ook nog tijd om te genieten van het mooie uitzicht. Binnen ‘no time’ stonden we moe, maar voldaan bij de auto. Ik was verbaasd!

Toen ik hem vroeg waarom hij deze wandeling zo goed volgehouden had, zei hij: “ ik moet mijn meiden toch beschermen en het goede voorbeeld geven?”. En dat had hij zeker gedaan! Door het belang van zijn gezin, was zijn passie aangestoken en kende zijn intrinsieke motivatie geen grenzen.

Maar dit is niet de uitzondering op de regel. Ik herken het ook bij mezelf, tijdens het schrijven van mijn boek. Ik heb een hekel aan grammatica regels, vooral omdat ik er niet goed in ben. Op mijn examen Nederlands had ik zelfs een onvoldoende. En toch schreef ik een boek. Ik vond het daarna zelfs zo leuk, dat ik fanatiek ben doorgegaan met het schrijven van blogs. Ondanks dat ik de grammatica en spelling nog steeds lastig vind, krijg ik er steeds meer plezier in. Ik heb blijkbaar toch een grote passie voor de Nederlandse taal!

Dus niet alleen de autonomie en jezelf competent voelen is van belang voor je motivatie, maar ook de verbinding die je voelt met je omgeving. Hoe meer verbinding je ervaart, hoe groter de passie en hoe groter de passie, hoe groter je vastberadenheid, wilskracht en vermogen om te presteren.

Wat ik mezelf dus ben gaan realiseren: als je de juiste verbinding vindt en de passie van je sporter daardoor ontdekt, hoef je als coach alleen nog maar achterover te leunen;)

Hoe kan je deze passie van je sporter vinden? dat vertel ik in mijn volgende blog!

Foto: de held in kwestie

Literatuur: Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2002). Handbook of self-determination research. University Rochester Press.