Topsportcoach: motiveer je creativiteit

Cynthia Danvers is internationaal jurylid en voltigetrainer. Ze staat bekend om haar unieke thema’s, originaliteit en creatieve aankleding. ‘Vault like there is no midnight’ is na vorig seizoen zelfs een begrip geworden, die zelfs door de FEI (internationale paardensportbond) is opgepikt. Lees hier haar geheim:

Iedereen kan creatief zijn, maar we verstoppen onze creativiteit al snel door de uitspraak: “ik ben niet creatief!” Wie zich openstelt om deze gedachte te laten varen en je gevoel laat spreken, zal merken dat je je nergens voor hoeft te schamen. Iedereen kan wel iets creatiefs bedenken of uitvoeren! 🙂

Mijn motto is: “waar een wil is , is een weg!”

Maar hoe vind je die weg? Door ‘out of the box’ te denken, bedenkt ons brein de meest creatieve dingen. Dit klinkt moeilijk, maar het begint met inspiratie. In onze sport ‘voltige’ hebben we deze inspiratie vooral nodig bij de kür. Hier bedenk je een thema als leidraad voor de oefeningen en voor de muziek. Ik kan mijn creativiteit triggeren door mijn eigen leerlingen. Ik vind het een sport om het uiterste uit ze te halen en ze optimaal te laten presteren. Dit doe ik onder andere door ze te motiveren en hun creatieve skills te ontwikkelen.

De grootste vijand van jezelf, en van je leerlingen, is jezelf open durven stellen om creatief te zijn. Vanuit onzekerheid wordt hierbij vaak gedacht: “Wat vinden anderen van wat ik doe?” of “Is dit niet raar?” of een hele bekende: “Straks sta ik voor schut!” Het gevolg hiervan is dat je iets simpels en/of iets veiligs gaat doen. Maar dat is saai.

Daar gaat het dus mis, leer je leerlingen (en jezelf) om speciaal te zijn, en laat merken dat je ze ook speciaal vindt!! Geef ze het zelfvertrouwen en geborgenheid. Dit doe je door te laten zien dat je achter hun ideeën staat. En leer ze om zichzelf open op te stellen, bijvoorbeeld door jezelf ook kwetsbaar op te stellen. Hier kan je een rolmodel zijn. Doordat ze zichzelf open stellen, wordt hun creativiteit meer ontwikkeld en ervaren ze dat je er dan veel meer van kan genieten als sporter.

Wat ook kan helpen is een thema met muziek kiezen, wat bij de voltigeur past. Laat ze ook in dit proces zelf meedenken. Leer ze om de muziek te voelen en met de kür oefeningen een verhaaltje te laten vertellen. Verdiep je daarbij in het verhaal en zorg dat je samen enthousiast wordt. Motiveer je leerlingen ook om zichzelf te laten zien en zich niet druk te laten maken over wat anderen er van denken. Het is jullie feestje!

Een derde tip is om ervoor te zorgen dat ze de kür goed kunnen uitvoeren en beheersen. Daardoor gaan ze met meer zelfvertrouwen de ring in tijdens een wedstrijd. Ze weten dat het wel goed komt. En het allerbelangrijkste; dat ze er plezier in hebben. Vanuit plezier komen de beste resultaten en laat je de meest natuurlijke uitstraling zien die er is. Als je zo hard getraind hebt dat het in de training (bijna) altijd lukt, wordt je veel opener en straal je meer zelfvertrouwen uit.

Deze ideeën zorgen ervoor dat jij als trainer echt een team vormt met je leerlingen. Samen ben je immers sterk. Sta open voor de creativiteit van je leerlingen en ideeën, stuur ze in de goede richting met positief advies. Vindt je een idee niet goed of leuk, breng dit dan positief. Bijvoorbeeld door te zeggen: “heel goed bedacht van je, super! maar misschien als je een beetje zo en zo doet, wordt je idee nog beter”. Je moet als trainer nooit creativiteit negatief beoordelen, maar het juist positief benaderen. Dit motiveert. Je wil een eenheid zijn met je team, waarbij ze wel accepteren dat jij als trainer de eindbeslissing neemt. Als je het positief brengt, zullen je leerlingen niet het gevoel krijgen dat ze niet creatief kunnen zijn of geen inspraak hebben.

Conclusie: Motiveer je leerlingen om zichzelf te zijn en stimuleer je eigen creativiteit door je open te stellen en te ontdekken dat de hele wereld uit zoveel moois bestaat, waaruit wij zeeën van creativiteit uit kunnen ontwikkelen. “The Sky is the limit” en wordt alleen maar beperkt door jouw eigen denken.

Cynthia Danvers

15387423_10211237924174195_292152907_o
meer weten over Cynthia? kijk op Facebook of haar website

Hoe motiveer ik mijn sporter? (deel 2)

Vorige week beschreef ik hoe makkelijk je werk als coach wordt als je de passie en daarmee indirect de intrinsieke motivatie van jouw sporter vindt. Dan hoef je veel minder te pushen, te motiveren en het werkt bovendien nog veel efficiënter. Maar hoe vind je deze passie?

Aangezien geen één sporter hetzelfde is, is ook de aanpak om de passie bij jouw sporter te vinden uniek. Maar er zijn wel een aantal handvatten. In deze blog bespreek ik er drie.

Een eerste optie is om je sporter eens een week bij te laten houden waarvan deze energie krijgt. Dit kan de sporter doen door aan het einde van de dag even stil te staan bij wat diegene gedaan heeft. Dit kan de sporter dan opschrijven. Daarna kan de sporter bij iedere activiteit neerzetten hoeveel energie dit opleverde of misschien wel hoeveel energie dit kostte. Dit kan met smiley’s, plusjes en minnetjes, cijfers en zelfs met duimpjes omhoog of omlaag. Wat bij jouw sporter past. Activiteiten die energie kosten, maar ook evenveel opleveren, of misschien zelfs meer, zijn activiteiten die je graag doet. Activiteiten die energie opslokken, zijn vaak activiteiten die je niet graag doet. Als jouw sporter hier een overzicht van heeft, komt het lastige deel. Want waarom kosten deze activiteiten energie of leveren ze juist energie op? Heeft het te maken met het doel van de activiteit? Heeft het te maken met de vrijblijvendheid van de activiteit? Heeft het te maken met de relatie met de betrokken zijn bij deze activiteit? Hoe competent de sporter zich tijdens de activiteit voelt? Hoeveel hij zelf mag bepalen bij deze activiteit?* Heeft het te maken met het tijdstip van de dag? Of is het een activiteit die de sporter altijd leuk vindt? Hoe vaker je dit bespreekt met je sporter en hoe explicieter of concreter de sporter kan benoemen waarom iets leuk is of niet, hoe beter je kan achterhalen waar de ‘echte’ passie van de sporter ligt.

Een voorbeeld:
Jouw sporter heeft zijn activiteiten een week bijgehouden en heeft continu smileys staan bij het trainen met het gehele team. Er staan ontevreden gezichtjes bij het doen van huishoudelijke klusjes, school en het uitvoeren van de trainingen thuis. De sporter heeft zelf niet zo’n goed idee waarom hij het trainen met het team leuker vind, deze is tenslotte pas 10 jaar oud. Als coach kan je ondersteunende vragen stellen. Bijvoorbeeld wat het verschil is tussen de thuis trainingen en de teamtrainingen? Wat maakt het ene minder leuk? Of hij graag met mensen dingen samen doet? Of juist niet? Stel dat de sporter beantwoordt dat hij het sowieso leuker vindt om dingen samen met anderen te doen. Dat hij daarom de klusjes thuis ook stom vind en het thuis alleen trainen.
Als coach kan je dit vertalen voor de sporter door voor te stellen om de trainingen thuis met een teamgenoot te doen. Of misschien wil broer of zus meedoen of kan de sporter een klasgenoot vinden die ook graag sport en misschien wel mee wil meetrainen. Daarnaast weet je dus dat je in de trainingen, voor deze sporter, veel in groepsverband moet gaan oefenen om de sporter meer intrinsiek te motiveren.

Een tweede optie is om bewust verschillende werkwijzen aan te bieden tijdens de training en de sporter te observeren. Men kan oefeningen in groepsverband aanbieden, schema’s voor thuis en oefeningen die men zelfstandig moet doen. Ook kan men bewust heel veel techniek trainingen doen of juist veel wedstrijdjes spelen. Dan kan je zelf observeren hoe de sporter hierop reageert en dit daarna bespreken met de sporter. Deze wijze is gelijk ook heel praktisch, omdat je direct trainingsmethoden gevonden hebt die bij je sporter passen.

Een voorbeeld:
Jouw sporter doet goed haar best bij de techniektrainingen, vooral bij het zelfstandig trainen. Je merkt dat ze zich minder laat zien als men dingen oefent in groepsverband en dat ze beter presteert in de wedstrijdvormen, als ze daarvoor zelfstandig aan haar techniek heeft kunnen werken. Achteraf bespreek je dit met je sporter en zij geeft aan zich onzeker te voelen als ze niet precies weet hoe ze iets moet doen. En dat ze zenuwachtig wordt als dan iedereen naar haar kijkt. Maar dat ze het juist wel heel leuk vind om een techniek helemaal perfect te kunnen en dit wel 1000x te oefenen. Nou is 1000x mogelijk overdreven, maar dat past wel bij de leeftijd van 13 jaar oud. Je weet in ieder geval wat je te doen staat als coach…

De derde optie is om jouw sporter de opdracht te geven iets te vertellen over de reden waarom diegene deze sport is gaan doen en dit te laten presenteren. In een team kan men dit aan elkaar presenteren. Hier laat je het hele proces dus aan de sporter zelf over. Deze moet dan ook wel in staat zijn goed te kunnen reflecteren en de passie voor het sporten ook als zodanig te herkennen. Je kan je voorstellen dat dit zeer leeftijdsafhankelijk is.

Een voorbeeld:
In teamverband presenteren de teamleden aan elkaar, waarom ze zo graag deze sport beoefenen. De één doet het vooral omdat het werken in teams zo leuk en gezellig is, de ander omdat hij er goed is in de sport en het daarom ook leuk vindt en weer een ander doet het vooral omdat zijn vader dezelfde sport doet en het wel zo makkelijk is om samen hierheen te gaan. Als trainer besluit je daarom om; één keer per maand een teamuitje te doen, vooral die dingen te oefenen die je sporters goed kunnen en deze zo nog beter te maken en om met sommige sporters nog een intensiever traject in te gaan om erachter te komen of ze eigenlijk deze sport wel willen doen…

Dit waren mijn suggesties voor deze week, hopelijk zijn er nog andere coaches of sporters die dit lezen en hier graag iets aan toevoegen middels een ‘reply’.

IMG_2782Foto: de passie van mijn voltigeurs

Sportpsychologe: coach je sporter onafhankelijk

Wat is het dat goede sporters top maakt? Hoe komt het dat sommige goede atleten de top halen, waar anderen op subtop niveau blijven hangen? En hoe kan je als coach helpen het volledige potentieel van je sporters te vervullen? Sportpsychologe Nicky Bosman legt uit:

Onderzoekt wijst uit dat één van de dingen die de top van de subtop onderscheidt zit in een gevoel van verantwoordelijkheid. Op het allerhoogste niveau is het in veel sporten namelijk zo dat de fysieke verschillen miniem zijn, we kunnen het niet meer gooien op talent, iedereen die het tot subtopniveau haalt heeft een zekere mate van aanleg en heeft er hard voor gewerkt. Iets wat wel het verschil kan maken is de efficiëntie van je training. Als jij uit dezelfde hoeveelheid training meer rendement haalt kan je sneller groeien.

Wetenschappers hebben de échte toppers en de net-daaronder-toppers allerlei vragen gesteld, om maar te kijken wat nou het verschil is. Het blijkt dat de échte toppers vooral meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen trainingen. Het blijkt dat de crème de la crème van de sporters beter zijn in het reguleren van hun eigen leerproces en daardoor hun trainingstijd veel efficiënter kunnen gebruiken. Deze sporters volgen dus niet blind de aanwijzingen van de coach, maar zijn zelf de baas over hun leerproces. Dat betekent niet dat ze niet luisteren naar aanwijzingen, het betekend alleen dat ze actief meedenken over hun eigen vooruitgang. Ze komen naar een training met een trainingsdoel dat past in hun lange termijn plan, een trainingsplan en een stevige hoeveelheid motivatie en zelfvertrouwen. Tijdens de training zijn ze zelf in staat in de gaten te houden of ze nog richting hun doel aan het trainen zijn en stellen hun plan eventueel een beetje bij. Na een training kunnen ze je vertellen wat er goed ging en wat minder, hoe dat relateert aan hun eerdere prestaties en wat ze hieraan willen gaan doen. Ze zijn dus de hele training actief bezig zichzelf te verbeteren.

Nu is het makkelijk om te denken, ‘Dat zijn dus die sporters die altijd vooraan staan bij een oefening, en die voor en na de training een half uur extra training pakken’. Dat is niet per se waar. Zelfregulerende sporters creëren voor zichzelf een zo optimaal mogelijke trainingssituatie. Dat kan ook zijn door als vierde of vijfde in het rijtje te gaan staan, omdat ze weten dat ze graag eerst even kijken hoe een ander een oefening uitvoert. Het kan ook die sporter zijn die juist even een oefening overslaat, omdat hij zijn hamstring een beetje voelt trekken. Als voorbeeld, een anonieme bekende schaatsster deed altijd maar drie van de vijf sprints mee. Bij de laatste twee ging ze in de schaduw zitten kijken naar de rest. Veel later bleek uit onderzoek dat alleen de eerste drie sprints echt een trainingseffect hebben, veel meer dan dat kan je lichaam niet aan. Zij voelde dat haarfijn aan en durfde haar eigen plan te trekken. Het is ook niet per se de sporter die stilletjes in een hoekje zijn penalty aan het verbeteren is; op de juiste momenten om hulp vragen is juist een teken van zelfregulerend leren. Het is dus als coach best moeilijk om te herkennen wanneer iemand ‘goed bezig’ is. Het kan goed zijn dat je zelfregulerend gedrag afschrijft als koppig of lui en de ‘ADHD-sporter’ die met veel energie maar zonder na te denken meteen vooraan staat een pluim geeft.

Maar hoe stimuleer je dit nou als coach? Het is heel belangrijk om sporters geleidelijk steeds meer verantwoordelijkheid te geven. Als coach kan het moeilijk zijn om de controle uit handen te geven en als sporter is het best eng om die verantwoordelijkheid te voelen. Dat kan dus niet van de ene op de andere dag. Je kunt wel als coach de juiste gedachtes en gedragingen stimuleren. Door de juiste vragen te stellen kan je de juiste gedachtegang helpen opstarten: ‘Wat is je doel in deze training vandaag?’ ‘Hoe ziet dat doel er precies uit, met andere woorden, wanneer ben je tevreden?’ ‘Welke stapjes ga je zetten om te zorgen dat je aan het eind van de training je doel hebt gehaald?’ ‘Wat ging er goed vandaag? Wat ging er minder? Wat ga je de volgende training anders doen?’ Maak sporters verantwoordelijk voor kleine dingen, zoals het meenemen van de juiste kleding en materialen, het op tijd op training verschijnen of bijvoorbeeld het doordraaien tussen de oefeningen. Een goede manier om autonoom gedrag te stimuleren is het inbouwen van een zelfstandig trainen kwartiertje. In dat kwartiertje mogen de sporters zelf weten wat ze trainen. Ze kunnen natuurlijk altijd om technische hulp vragen, maar ze moeten wel zelf bedenken wat ze gaan doen. Als dat nog lastig is kan je bijvoorbeeld een aantal opties geven om uit te kiezen. Het kan helpen om per optie de consequenties vast aan te geven. ‘Je kan vandaag je beste oefening extra trainen, dan krijg je daarvoor misschien nog wel meer punten de volgende keer, of je kan ervoor kiezen om je slechtste oefening extra te trainen, dan gaat dat lage cijfer vanzelf hoger worden’. ‘Jullie mogen zelf weten of jullie vandaag aanval of verdediging willen trainen, kies wat het beste voor je is’. Zo leren sporters stapje voor stapje na te denken over hun eigen leerproces en comfortabel worden met het maken van de keuzes die daarbij horen.

Het is belangrijk om te onthouden dat, net als bij fysieke training, deze mentale skills tijd nodig hebben om te ontwikkelen. Ook zal het bij de ene sporter sneller gaan dan bij de andere. Net zoals niet elke 8-jarige of 16-jarige fysiek hetzelfde is als zijn leeftijdsgenoten, kunnen ook mentaal grote verschillen ontstaan. Zoek een manier die past bij de sporter in kwestie en je eigen coachingstijl. Het is niet gezegd dat door sporters autonome en zelfstandige leerders te laten worden ze allemaal de allerhoogste top gaan halen. Wat je ze echter wel meegeeft door deze skills aan te leren, is dat ze de beste versie van zichzelf kunnen worden. Niet alleen in de sport, maar ook op school en in de rest van hun leven.

Voor meer informatie over zelfstandigheid stimuleren, mentale training voor sporter of coach of ander sportpsychologisch advies, kijk op www.nickybosman.nl of contact info@nickybosman.nl.

nicky