Bewegingsanalyse voor sportcoaches

Bewegingsanalyse voor sportcoaches

Bewegingsanalyse voor sportcoaches

Hoe komt het toch dat jouw sporter maar niet verbetert? Je volgt alle trainingsrichtlijnen, de nieuwste inzichten en je bouwt voldoende rust in, maar er is onvoldoende vooruitgang. Dan kan de bewegingsanalyse uitkomst bieden. In het boek Jouw cliënt in beweging is een bewegingsanalyse te vinden speciaal voor fysiotherapeuten. Deze kan je ook downloaden op deze website. Speciaal voor sportcoaches, heb ik deze analyse omgezet in een bruikbare analyse voor de sport. Deze analyse kan je op de volgende video bekijken of je kan verder lezen op deze pagina voor een uitgebreide uitleg.

Probleem

We starten met de hulpvraag, ofwel het probleem. Wat is het doel van de sporter? Hoe concreter je dit doel formuleert, hoe gerichter je jouw sporter kan helpen. Het SMART principe kan helpen om een doel heel concreet te formuleren.

Stel dat jouw sporter graag hoger wil springen om de basket aan te kunnen raken. Dan kan je dit SMART formuleren door te zeggen; het doel is om zo hoog te kunnen springen, dat de sporter vanuit een aanloop de basket kan raken (specifiek en meetbaar). Dit willen we binnen drie maanden bereiken (acceptabel, realistisch en tijdgebonden).

Oorzaak

Vervolgens moet je kijken naar de oorzaak waardoor de sporter niet hoger kan springen. Is er bijvoorbeeld sprake van een blessure? Of vind de sporter het eng? Je kan hierbij denken aan problemen op het lichamelijk, mentale en emotionele vlak.

Voor een sporter gaat het er vooral om; is de oorzaak trainbaar of niet. Als deze trainbaar is kan je de focus leggen op het trainen van de grondmotorische eigenschappen of op mentale training. Als het niet trainbaar is, zal de focus binnen de bewegingsanalyse moeten leggen op het zoeken naar alternatieven en/of compensatiemogelijkheden.

Stel dat jouw basketballer niet zo hoog kan springen omdat hij onvoldoende sprongkracht heeft. Hij heeft geen blessure of angst, maar hij is niet voldoende getraind.

bewegingsanalyse sportcoaches
www.pixabay.com

Handelingen en lichaamsbewegingen

Om te weten welk deel getraind zal moeten worden, maak je een analyse van de gehele handeling, ofwel beweging. Je kan dit eventueel filmen en langzaam bekijken. Tijdens het kijken kan het helpen om de beweging op te delen in deelbewegingen. Bijvoorbeeld een sprong kan worden opgedeeld in; de afzet, de zweeffase en de landing. Deze (deel)bewegingen kan je weer opdelen in lichaamsbewegingen. Bijvoorbeeld het buigen van de knie of het strekken van de enkel. Met deze analyse kan je enerzijds bepalen welke spieren (bijvoorbeeld) getraind moeten worden, anderzijds kan je ook kijken waar er juist gecompenseerd moet worden, als de oorzaak bijvoorbeeld niet trainbaar is.

Stel dat jouw basketballer vooral in de afzet van de sprong te kort komt. Zijn techniek in de aanloop en afzet is goed, maar hij komt onvoldoende omhoog. De sprongkracht komt met name vanuit het strekken van de enkel, wat de kuitspieren doen. Daarnaast werken onder andere de bovenbeenspieren aan de voorkant mee middels het strekken van de knie. Naast voldoende kracht is snelheid ook en belangrijk element voor voldoende sprongkracht.

Functioneel bewegen

Een belangrijke vervolgstap is om te kijken of de beweging functioneel is, ofwel efficiënt. Dit is een verdieping van de analyse die je in de vorige stap gemaakt hebt. Je kijkt niet alleen naar de (deel)bewegingen, maar vooral naar de functionaliteit ervan. Daarnaast let je op de invloed van de context, ofwel omgeving. Bijvoorbeeld of de beweging binnen anders is dan buiten.

Ook kijk je naar het zelforganiserend vermogen van de sporter, ofwel hoe goed kan hij zichzelf aanpassen. Corrigeert hij vanzelf de beweging en ziet het er soepel uit? Of juist houterig en ongecoördineerd? Het kan zijn dat bijvoorbeeld een gewricht te stijf is om goed te bewegen, dat noemt men dat een biomechanische belemmering. Maar de kracht kan bijvoorbeeld ook onvoldoende zijn, dan moet je de grondmotorische eigenschappen gaan trainen.

Stel dat de sporter beter springt als hij de basket ziet, dan dat hij gewoon in het luchtledige omhoog springt (context). Hij geen belemmeringen heeft in zijn gewrichten of banden (biomechanische belemmeringen), behalve onvoldoende sprongkracht in de kuit en bovenbeenspieren (grondmotorische eigenschappen). Zijn sprong ziet er niet heel veerkrachtig uit, eerder wat lomp (zelforganiserend). Dit laatste maakt het bewegen niet heel functioneel. Concluderend lijk het erop dat de sprongkracht met name beperkt is door onvoldoende snelheid in de spieren en onvoldoende souplesse (coördinatie) in de gehele beweging.

bewegingsanalyse sportcoaches
www.pixabay.com

Potentie

Vervolgens kijk je naar het potentieel van de sporter. Hoe trainbaar is deze? Hoe gemotiveerd? Hoe oud is de sporter? En hoe snel leert de sporter? Onze basketballer is heel gemotiveerd, want hij wil graag een YouTube video maken waarop te zien is dat hij moeiteloos de basket kan aanraken. Nu heeft hij daar nog een trampoline voor nodig. Verder is de sporter 21 jaar en kan hij jouw instructies goed begrijpen. Hij is verder gezond en heeft al eerder aan krachttraining gedaan.

Uitkomst

Uiteindelijk voeg je al deze punten samen tot een uitkomst. Jouw conclusie bij deze sporter is dat hij meer moet werken aan zijn snelheid en souplesse in de sprong. Je kiest ervoor om dit te oefenen middels plyometrische oefenvormen. De tijdsduur van drie maanden om het doel te behalen lijk gezien zijn leeftijd en fitheid realistisch, mogelijk zelfs wat aan de ruime kant. Na één maand gaan jullie evalueren om te kijken of de sporter op schema ligt met zijn ontwikkeling.

Effectiever coachen in de sport
Volg en like effectief sporten

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *